
Pyjamashirt en pyjamabroek uit. Loszittende broek, stevige sokken, sportshirt en hardloopschoenen aan. Daar ga ik.
Rasteby stelt niks voor, als het meer dan tien huizen zijn totaal zou ik verbaasd opkijken, er is slechts een weg, ik kies links. Langs de weg ren ik, linkerkant, zodat de auto’s me zien aankomen en ik geen auto’s in mijn rug heb. Een lange weg, links de bergen, begroeid met loofbos, rechts een klif van een meter of twintig en dan de zee, felblauw vandaag net als jouw ogen, mijn Lief.
Ik ren en probeer zo goed mogelijk drie kilometer in te schatten zodat ik in totaal mijn zes kilometer loop. Al dagen voel ik dat mijn gevoel op volle toeren draait. De linkerkant van de weg, ik bekijk de bergkam, de bossen en hoor dan wat belletjes.
Verderop staan drie schapen hoger op de klif het taaie gras te eten, ze herinneren mij aan wakker worden op een berghelling in Ierland, de tent uit kruipen en blatende schapen die gras eten, iets hoger de berg op bij onze tent vandaan.
Na de schapen een scherpe bocht naar links die ik niet in kan kijken, maar als ik de bocht om kom opent de wereld zich weer. In de verte een landtong die de zee inloopt, een verhoging in de weg, ik besluit dat dit mijn einddoel is voor vandaag en ren.
Het is warm, een graad of zestien en dat is echt warm voor hier, de wind komt vanaf zee en is fris, vast Noordenwind. De laatste anderhalve kilometer schat ik gaan vlot en boven op de heuvel in de weg begin ik met strekken. Ik moet moed verzamelen om terug te rennen, lood in mijn schoenen, waarom? Een beetje mentale dwang en mijn benen komen in beweging, daar ga ik dan.
Wat struiken blokkeren mijn uitzicht op zee, maar als die voorbij zijn voel ik de kracht van wat ik zie in mijn onderbuik als een stomp. Net zo blauw als die van jou.
Ik slik en kijk voor mij uit in de hoop dat het wegzakt. In de berm zie ik eerst gele, dan witte en ook nog paarse bloemen staan en denk aan die steeltjes tussen jouw vingers als je de steeltjes voorzichtig knakt om de bloemen naar je vlecht of een plekje in je kleding te verplaatsen.
Mijn kin trilt en ik hunker ineens naar de zachte warme truien van mijn moeder waar ik in weg kan duiken.
Links van de weg in het hoge gras steekt een eland de kop op wanneer ik voorbij ren, met alle macht mezelf in toom houdende. Een koolmees volgt mij enkele meters en ik denk aan hoe jij vol verbazing, verwondering en liefde kan kijken naar een vogel zoals ik je zo vaak heb zien doen.
Een konijn of een haas sprint de weg over en dan is het genoeg. Mijn voeten vertragen, mijn ademhaling stokt en versneld. Handen trillen, blik wordt wazig. Oké, het is tijd. Eerst met mijn linker en dan mijn rechterbeen stap ik over de vangrail de berm in en ga zitten, kleermakerszit. Mijn blik over zee, de bergen en bossen aan de overzijde. Geen wolkje aan de lucht en de zon is fel.
Ik probeer iets te vinden in mijn uitzicht wat me niet aan jou doet denken, maar het enige wat ik vind zijn mooie bloemen in allerlei kleuren, hele kleine met paarse blaadjes en een witte kern. Geel, lichtblauw…ja lichtblauw. Alle tinten groen die je kunt voorstellen en stenen over het hele strand. Dan richt ik mijn ogen op de zee die zich voor mij uitstrekt, drie kleuren, tinten, gevoelens blauw. Alle drie zo fel als jouw iris.
Mijn weerstand breekt en ik huil. Ik omarm mijzelf en wieg een beetje heen en weer. De vloedgolf aan herinneringen, beelden, geuren en kleuren valt over mij heen en ik ben weerloos.
Mijn ogen zoeken, zien alles, elke prikkel slaat tegen mijn netvlies. Ik zie jou in alles, alle schoonheid om mij heen herken ik je in.
Hemel en aarde, zee en het woud, de bloemen links en rechts van mij en de stenen aan mijn voeten.
De hele wereld zie ik door jouw ogen, omdat jij mij opnieuw hebt leren kijken naar de wereld. Zoals jij de wereld ziet, jouw wereld.
Dus het enige wat mij staat te doen is de wereld veroveren.

