De Tinsmid

Het is 3 juli 2012, ik ben op reis terug naar huis in Noorwegen. Ik heb Nederland weer achter me gelaten. Om me heen is het chaos, de cadans van voetstappen, karretjes, koffers die tegen de vloer bonken, lopende banden en grote aantallen televisies met vluchtinformatie. Oslo Gardermoen, het internationale vliegveld. Vannacht overnacht ik hier om morgen de reis naar het noorden te vervolgen. Ik heb mijn bagage verstopt op een rustig plekje achter een rij kantoren die gesloten zijn vanwege het tijdstip. Ik pak mijn slaapzak uit en richt een slaapplek in. Mijn tassen liggen tussen mij en de balustrade in, antidiefstal maatregel. Alles wat ik niet nodig heb pak ik weer in en gewapend met een handdoekje en een tandenborstel begeef ik me naar de toiletten aan de overzijde van de tweede etage van het vliegveld.

Ik leeg mijn blaas in de pisbak aan de muur, was mijn handen, dan mijn gezicht en begin mijn tanden te poetsen. Terwijl ik poets drentel ik wat rond, een man komt binnen. Zijn houding spreekt al boekdelen, maar ik zie meer. De manier waarop zijn huid vettig glanst, zijn verfomfaaide haren, onzorgvuldig aangekleed en bovenal de melancholische blik diep in zijn azuurblauwe ogen. Een alcoholist, dronken uiteraard.

Ik voel altijd wel een band met ‘de alcoholist’, ik oordeel niet zo sterk en benader hen dan ook alsof er niks vreemds aan de hand is. Daarom groet ik de man en hij groet mij. Hij doet zijn behoefte achter gesloten deuren en komt dan zijn handen wassen in de wasbak naast mij, kijkt mij aan en vraagt waar ik vandaan kom. Een kort kennismakingsgesprekje volgt in het Engels. Hij komt uit Finland en is tin smid, een uitstervend beroep. Handwerk op grote hoogten soms in de bewerking en afwerking van daken. Een niet zo goed betaalde baan, maar goed genoeg om van te leven. Zeker nu zijn vaardigheden schaars beginnen te worden, dat betekent meer loon.

Hij vraagt mij waar ik woon, waar ik naartoe ga en wat ik in de toekomst wil gaan doen. Ik vertel hem over mijn werk in Noorwegen en mijn afscheid van Nederland. Ook vertel ik hem over de droom die ik heb over een eigen bedrijf. Een plek waar mensen die een behoefte hebben tot rust, kalmte, misschien wat hulp of zelfs therapie terecht kunnen. Waar ze met hun handen kunnen werken met hout, steen, aarde en water, zich terug kunnen trekken en opnieuw kunnen leren contact leggen, met de wereld en zichzelf.

Er valt een stilte, de man kijkt mij aan met die melancholiek in zijn ogen. Zijn houding en gedrag veranderen van joviaal dronken naar gewond dier. Het dorp waar hij vandaan komt zijn veel mensen alcohol verslaafd, veel agressie ook verteld hij. De man verteld mij met een verbeten gezicht waar woede en afschuw duidelijk op te lezen staan over hoe hij thuis ook geslagen werd door zijn vader. De dronken Fin pakt mijn hand en knijpt er stevig in, hij kijkt mij recht in mijn ogen aan en de melancholiek, woede en afschuw zijn plotsklaps verdwenen. De passie in zijn irissen straalt een levenskracht uit die normaliter verscholen gaat achter die melancholische uitstraling. Hij hemelt me op met zijn woorden, prijst mijn droom en zegt dat ik er alles aan moet doen om het uit te voeren. Dat ik een goed mens ben en dat hij me alles op de wereld gunt.

Als laatste voegt hij toe; “Ik ben ook zo als mijn vader, maar ik doe het niet.”

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *